Hoge Raad: fiscale partners krijgen 6 weken om box 3-verdeling aan te passen na massaalbezwaar
Wie via het massaalbezwaar belasting terugkrijgt, heeft nog 6 weken na de verminderingsbeschikking de tijd om de onderlinge box 3-verdeling met zijn fiscale partner te wijzigen. Dat bepaalde de Hoge Raad op 27 maart 2026 (ECLI:NL:HR:2026:495).
Fiscale partners mogen hun box 3-vermogen onderling vrij verdelen in de aangifte. Dat kan voordelig zijn: als één partner meer heffingsvrij vermogen over heeft, kan je de grondslag zo verdelen dat je samen minder belasting betaalt.
Bij belastingaanslagen die werden verminderd via de massaalbezwaarprocedure was onduidelijk of die herverdeelmogelijkheid nog gold. De aanslag was immers al opgelegd. Kon je die alsnog aanpassen?
De Hoge Raad heeft dit bevestigend beantwoord. Fiscale partners die via het massaalbezwaar een vermindering kregen, hebben nog 6 weken na de verminderingsbeschikking de tijd om hun onderlinge box 3-verdeling te wijzigen. Het gaat om arrest ECLI:NL:HR:2026:495.
Praktisch: als jij en je partner samen een teruggave kregen via het massaalbezwaar, kun je nagaan of een andere verdeling nog gunstiger uitpakt. Die mogelijkheid is er dus, maar alleen binnen die zes weken na de beschikking.
Heb je al een verminderingsbeschikking ontvangen? Controleer de datum. Als die beschikking minder dan 6 weken geleden is, kun je een gewijzigde verdeling aanvragen bij de Belastingdienst. Neem bij twijfel contact op met een belastingadviseur of gebruik het bezwaarloket van de Belastingdienst.
Motie-Vlottes verworpen: Tweede Kamer wil ongerealiseerde winsten wél belasten
Twee dagen voor de eindstemming verwierp de Tweede Kamer de motie-Vlottes, die de belasting op ongerealiseerde koerswinsten volledig wilde schrappen. Wat die stemming zegt over de politieke haalbaarheid van een vermogenswinstbelasting.
Vlak voor de eindstemming over de Wet Werkelijk Rendement diende Kamerlid Vlottes (VVD) een motie in met een directe vraag: schrap de belasting op ongerealiseerde koerswinsten uit het wetsvoorstel. Wie aandelen bezit die in waarde stijgen maar niet verkoopt, zou geen belastingrekening moeten krijgen voor winst die hij nog niet heeft ontvangen.
De Tweede Kamer verwierp de motie. Een meerderheid van de Kamer was niet bereid de vermogensaanwasbelasting te schrappen voordat de wet überhaupt was aangenomen.
Twee dagen later, op 12 februari 2026, stemde diezelfde Kamer in met de wet zoals die er lag, inclusief de jaarlijkse belasting op papieren koerswinsten.
De kern van het bezwaar tegen de vermogensaanwasbelasting klopt inhoudelijk. Crypto-beleggers, houders van groeiaandelen en medewerkers van startups die opties ontvangen, kunnen een belastingaanslag krijgen voor winst die ze niet kunnen uitbetalen zonder te verkopen. Prins Constantijn van Oranje sprak namens de techsector: je hebt nog geen euro ontvangen, maar de Belastingdienst klopt al aan.
Toch verwierp de meerderheid de motie, om drie samenhangende redenen.
Kabinet verkent verbreding vermogenswinstbelasting naar meer categorieën
Het kabinet heeft toegezegd te onderzoeken of de vermogensaanwasbelasting ook voor meer beleggingscategorieën kan worden omgezet naar een vermogenswinstbelasting. Nu valt alleen vastgoed en startups al onder de VWB. Wat dit betekent voor beleggers, en welke praktische stappen u nu kunt zetten.
De politieke discussie over de Wet Werkelijk Rendement spitst zich al maanden toe op één kernvraag: is het rechtvaardig om belasting te heffen over winsten die u nog niet heeft gerealiseerd? Aandelen die stijgen maar nog in uw portefeuille zitten, worden onder de vermogensaanwasbelasting jaarlijks belast, ook als u geen cent heeft ontvangen.
Als reactie op die kritiek heeft het kabinet nu toegezegd te onderzoeken of de vermogensaanwasbelasting voor meer categorieën kan worden omgezet naar een vermogenswinstbelasting. Dat laatste systeem belast pas bij verkoop, waardoor de liquiditeitsproblemen verdwijnen die bij ongerealiseerde winsten spelen.
De huidige wet kent al twee systemen naast elkaar: vastgoed en startups vallen al onder de VWB (bij verkoop), terwijl beursaandelen, obligaties en spaargeld onder de vermogensaanwasbelasting vallen. Het kabinet verkent of die tweede categorie breder wordt.
Concreet is dit nog niets. Het gaat om een politieke toezegging om iets te onderzoeken, niet om een wetswijziging of een concreet voorstel. De uitkomst is onbekend, de timing ook. Pas als Heinen of Eerenberg een herzien wetsvoorstel publiceert, is er iets om op te reageren.
Ondertussen blijft de huidige wet van kracht: vermogensaanwasbelasting voor beursgenoteerde beleggingen, ingangsdatum 1 januari 2028.
Aangifte 2025: werkelijk rendement is lang niet altijd voordeliger
Nu de aangifteperiode loopt, kijken veel beleggers of ze werkelijk rendement kunnen opgeven in box 3. Maar door het wegvallen van het heffingsvrij vermogen voor de OWR-berekening pakt dat voor veel mensen ongunstiger uit dan verwacht, ook bij rendementen ruim onder de 5,88%.
De Opgaaf Werkelijk Rendement (OWR) klinkt aantrekkelijk: wie minder heeft verdiend dan de forfaitaire percentages, kan dat opgeven en daarmee belasting besparen. Maar de praktijk is grilliger dan de theorie.
Het centrale probleem: bij de OWR-berekening geldt geen heffingsvrij vermogen. Het werkelijke rendement wordt berekend over het totale box 3-vermogen, terwijl bij het forfait eerst de vrijstelling (€57.684 voor alleenstaanden, €115.368 voor partners) van het vermogen wordt afgetrokken.
Stel: u heeft €100.000 aan beleggingen en maakt in 2025 een rendement van 4% (€4.000). Dat ligt ruim onder het forfaitaire percentage van 5,88%. Toch kan het forfait voordeliger uitpakken.
Eerste Kamer bespreekt Box 3 met Eerenberg: carry-back in zicht via Belastingplan 2027
Op 17 en 18 maart 2026 voerde de commissie Financiën van de Eerste Kamer mondeling overleg met staatssecretaris Eerenberg over de Wet Werkelijk Rendement. De uitkomst: een carry-back-voorziening wordt concreet verkend, mogelijk opgenomen in Belastingplan 2027 via een novelle. Ingangsdatum 2028 blijft het officiële uitgangspunt.
Op 17 en 18 maart 2026 vond het eerder aangekondigde mondeling overleg plaats tussen de commissie Financiën van de Eerste Kamer en staatssecretaris Eerenberg over de Wet Werkelijk Rendement. Eerenberg erkende dat het wetgevingsproces "niet optimaal" is verlopen, maar zette door met de reguliere parlementaire behandeling.
Het meest concrete resultaat van het overleg: het kabinet gaat actief onderzoeken of een carry-back-voorziening haalbaar is. Dat is een regeling waarbij belastingplichtigen een verlies in box 3 kunnen verrekenen met belasting die ze in eerdere jaren hebben betaald.
Concreet betekent dit: wie in 2028 of later verlies maakt op zijn beleggingen, zou dat verlies kunnen terugwentelen naar een vorig jaar en daarmee eerder betaalde belasting terugkrijgen. Dit is een fundamentele aanpassing ten opzichte van het oorspronkelijke wetsvoorstel, dat alleen verliesverrekening met toekomstige jaren (carry-forward) bevatte.
Als de dekking gevonden wordt, wil het kabinet de carry-back opnemen als novelle bij het Belastingplan 2027. Dat is een aanvullend wetsvoorstel dat de bestaande wet wijzigt nog voordat die in werking treedt.
Eerenberg kondigde ook aan dat er een apart wetsvoorstel in voorbereiding is voor startende ondernemers. Deze groep heeft specifieke bezwaren tegen de werking van het werkelijk-rendementstelsel , met name de belasting op ongerealiseerde winsten bij een jong bedrijf dat nog geen liquiditeit heeft. Het aparte wetsvoorstel moet per 1 januari 2028 in werking treden, gelijktijdig met de hoofdwet.
Aangifteperiode 2025 open: zo geeft u werkelijk rendement op in box 3
Sinds 1 maart 2026 kunt u aangifte doen over het belastingjaar 2025. Nieuw is dat de Belastingdienst de Opgaaf Werkelijk Rendement (OWR) nu als herkenbare optie in de aangifte verwerkt. Heeft u minder verdiend dan de forfaitaire percentages, dan kan opgave van uw werkelijke rendement u geld besparen.
Vanaf 1 maart 2026 is de aangifte inkomstenbelasting voor het belastingjaar 2025 geopend. De deadline is, zoals gebruikelijk, 1 mei 2026, tenzij u uitstel aanvraagt.
Voor box 3 geldt nog altijd het forfaitaire stelsel. De definitieve percentages voor 2025 zijn:
·Spaargeld: 1,37%
·Beleggingen en overig vermogen: 5,88%
·Schulden: 2,70%
wetgevingaanwasbelastingheineneerenberg202836748
28 februari 2026
Aanwasbelasting blijft staan: alleen verliesverrekening ligt op tafel
Minister Heinen wil de belasting op ongerealiseerde koerswinsten niet schrappen. Zijn enige concrete voorstel is verliesverrekening. Staatssecretaris Eerenberg bevestigt: het wetsvoorstel is niet ingetrokken en de deadline van 2028 staat.
Veel mensen lazen in de aankondiging van minister Heinen afgelopen week dat de belasting op papieren koerswinsten van tafel gaat. Dat klopt niet.
Heinen's enige concrete voorstel was verliesverrekening, de carry-back die de Tweede Kamer ook al in een motie had gevraagd. De vermogensaanwasbelasting zelf, die in 2028 moet ingaan en jaarlijks ook ongerealiseerde koerswinsten belast, laat hij voorlopig ongemoeid. Staatssecretaris Eerenberg van Fiscaliteit zei het vrijdag na de ministerraad uitdrukkelijk: "We werken daarbij vanuit het huidige wetsvoorstel, het is niet zo dat het wetsvoorstel ingetrokken is."
De reden is simpel. Het loslaten van de aanwasbelasting kost de staatskas jaarlijks €2,4 miljard. Er is geen enkel plan voor hoe dat gat gevuld moet worden.
De reconstructie door het FD maakt duidelijk dat Heinen's uitspraken niet waren afgestemd met zijn coalitiegenoten. D66 en CDA waren verrast. Premier Jetten zei dat de minister "tegen een camera was aangelopen."
Belastingexperts reageerden fel. Hoogleraar Ruud van den Dool (Nyenrode) noemde het "bizar" en stelde dat Heinen "de budgettaire gevolgen en de zorgvuldige procedures vergeet." Collega-hoogleraar Edwin Heithuis (UvA) sprak van "te gek voor woorden." Beiden benadrukten dat alle voors en tegens al uitvoerig zijn besproken vóór de Tweede Kamer instemde.
Tweede Kamer wil verliesverrekening in aangepaste box 3
De Tweede Kamer nam op 26 februari een motie aan die het kabinet oproept verliesverrekening (carry-back) op te nemen in het herziene box 3-voorstel. Als u in een jaar verlies lijdt op uw beleggingen, kunt u dat straks verrekenen met belasting die u eerder hebt betaald.
De Tweede Kamer nam op 26 februari 2026 een motie aan van ChristenUnie en JA21, gesteund door onder meer de VVD. De motie roept het kabinet op om verliesverrekening, in het bijzonder carry-back, op te nemen in het aangepaste box 3-wetsvoorstel dat minister Heinen voorbereidt.
Dit is een concrete nieuwe eis die bovenop de eerder aangekondigde herziening komt. Heinen had al laten weten het voorstel aan te passen na verzet in de Eerste Kamer, maar de inhoud daarvan is nog niet bekend. De motie geeft aan wat de Tweede Kamer in elk geval terug wil zien.
Onder de Wet Werkelijk Rendement betaalt u belasting over uw werkelijke rendement. In een goed beleggingsjaar betaalt u belasting over de winst. Maar wat gebeurt er in een slecht jaar, als uw portefeuille daalt?
Zonder verliesverrekening betaalt u in goede jaren belasting, maar haalt u in slechte jaren niets terug. Over een langere periode kan dat uitpakken als een belasting op uw gemiddeld rendement, maar asymmetrisch: de overheid deelt mee in winst, maar niet in verlies.
Carry-back betekent dat u een verlies in jaar X kunt verrekenen met de belasting die u hebt betaald in jaar X-1. U krijgt dan een deel van de eerder betaalde belasting terug. Dat is een eerlijker systeem, en het gebruikelijke in landen die al een vermogenswinstbelasting kennen.
De kern van het box 3-debat: belasting over winst die je nog niet hebt
Nu Heinen het wetsvoorstel gaat aanpassen, draait het debat om één vraag: moet je belasting betalen over waardestijgingen die je nog niet hebt verzilverd? Dat heet vermogensaanwasbelasting, en het is het meest omstreden onderdeel van het huidige plan. Het alternatief, vermogenswinstbelasting, wordt in de meeste landen toegepast.
Minister Heinen gaat het wetsvoorstel voor de nieuwe box 3-belasting aanpassen. Wat precies wordt aangepast is nog niet bekend, maar het is duidelijk waar de schoen het hardst knelt: de vermogensaanwasbelasting.
Dat is de term voor een systeem waarbij je belasting betaalt over waardestijgingen van beleggingen, ook als je die beleggingen nog helemaal niet hebt verkocht. De waardestijging bestaat op papier, maar het geld zit nog vast in aandelen, crypto of een bedrijf. Toch wil de Belastingdienst er al belasting over.
Precies dat stuit op breed verzet, van beleggers en crypto-houders tot medewerkers van startups die als onderdeel van hun beloning aandelen ontvangen. Prins Constantijn van Oranje verwoordde het treffend namens de techsector: wie aandelen in een startup bezit die in waarde stijgen, heeft nog geen euro ontvangen, maar zou wel een belastingrekening krijgen.
Het verschil tussen de twee alternatieven is precies zo groot als het klinkt.
eerste kamerwetgevingheinenaanpassing36748breaking
25 februari 2026
Heinen past wetsvoorstel box 3 aan na verzet senaat
Minister Heinen gaat 'terug naar de tekentafel' met het wetsvoorstel voor box 3. Na een golf van protest van beleggers en kritische opmerkingen vanuit de Eerste Kamer kondigt hij aanpassingen aan. Wat er precies wijzigt is nog niet bekend. De invoeringsdatum van 1 januari 2028 staat hierdoor onder druk.
Minister Eelco Heinen van Financiën heeft op 25 februari 2026 aangekondigd dat hij het wetsvoorstel voor box 3 gaat aanpassen. Hij gaat 'terug naar de tekentafel'. Dat meldt het Financieele Dagblad vanmorgen.
De aanleiding is tweeledig: een golf van protest van beleggers en kritische opmerkingen vanuit de Eerste Kamer bij de start van de behandeling van het wetsvoorstel. De combinatie van beide heeft Heinen blijkbaar doen besluiten dat het huidige wetsvoorstel politiek niet houdbaar is in de Eerste Kamer.
Heinen waarschuwt daarbij dat vernieuwing van de belasting op vermogensrendement noodzakelijk blijft, en dat er geen extra budgettaire ruimte beschikbaar is voor aanpassingen die de opbrengst verlagen.
Het wetsvoorstel zoals aangenomen door de Tweede Kamer op 12 februari 2026 is niet meer het eindpunt. Er komt een gewijzigde versie. Die moet opnieuw door het wetgevingsproces, wat betekent:
eerste kamerwetgevingvoortgang36748planning
25 februari 2026
Eerste Kamer plant technische briefing op 17 maart - stemming volgt in het voorjaar
Na de procedurebespreking van 24 februari heeft de Eerste Kamer besloten een technische briefing te vragen bij het ministerie van Financiën, gepland op 17 maart 2026. Daarna volgt de eigenlijke inhoudelijke behandeling. Een stemming wordt verwacht in het voorjaar van 2026.
De commissie voor Financiën (FIN) van de Eerste Kamer besprak op 24 februari 2026 de procedure voor de behandeling van wetsvoorstel 36.748. Dat leidde tot een concreet eerste besluit: het ministerie van Financiën wordt gevraagd een technische briefing te houden op 17 maart 2026.
Een technische briefing is een toelichting door ambtenaren op de inhoud van het wetsvoorstel. Het is geen politiek debat, maar een gelegenheid voor senatoren om vragen te stellen over de werking van de wet in de praktijk. Denk aan vragen over de uitvoerbaarheid door de Belastingdienst, de overgangsregels en de technische details van de vermogensaanwasbelasting.
Na de briefing begint de schriftelijke voorbereiding. Fracties stellen dan schriftelijk vragen aan de staatssecretaris, die vervolgens antwoordt via een Memorie van Antwoord. Die fase neemt doorgaans enkele weken tot een maand in beslag.
Daarna volgt het plenaire debat in de Eerste Kamer, en uiteindelijk de stemming. Op basis van de huidige planning wordt de stemming verwacht in het voorjaar van 2026. Media als het Financieele Dagblad noemen mei als mogelijke richtmaand, maar dat is nog niet officieel bevestigd.
eerste kamerwetgevingvoortgang36748
24 februari 2026
Eerste Kamer start behandeling van de Wet Werkelijk Rendement Box 3
De commissie voor Financiën van de Eerste Kamer bespreekt vandaag de procedure voor behandeling van wetsvoorstel 36.748. Dat is de eerste stap in het Eerste Kamertraject. Een stemming is er voorlopig nog niet, maar de klok tikt.
Vandaag, 24 februari 2026, bespreekt de commissie voor Financiën (FIN) van de Eerste Kamer de procedure voor behandeling van wetsvoorstel 36.748, de Wet Werkelijk Rendement Box 3. Dat is de eerste formele stap nu het wetsvoorstel vanuit de Tweede Kamer is doorgestuurd.
In de Eerste Kamer begint de behandeling van een wetsvoorstel altijd met het vaststellen van de procedure. De commissie bepaalt dan hoe en wanneer ze het wetsvoorstel wil behandelen. Denk aan: wanneer is de inbrengdatum voor schriftelijke vragen, wil de commissie een deskundigenbijeenkomst, en hoe lang mag het kabinet de tijd voor een antwoord?
Pas daarna volgen de eigenlijke stappen:
1. Schriftelijke voorbereiding: senatoren stellen vragen, de staatssecretaris antwoordt via een Memorie van Antwoord
Box 3 en buitenlandse bezittingen: risico op dubbele belasting vanaf 2028
Het nieuwe box 3-stelsel maakt Nederland internationaal opnieuw een 'vreemde eend in de bijt'. Voor beleggers met buitenlandse bezittingen of vastgoed kan het vermogensaanwasregime leiden tot dubbele belastingheffing, en de regels voor voorkoming zijn nog maar op hoofdlijnen uitgewerkt.
De meeste landen belasten vermogenswinsten pas op het moment van verkoop, de realisatiebasis. Nederland gaat vanaf 2028 voor aandelen en beleggingsfondsen juist de andere kant op: jaarlijkse heffing over ongerealiseerde waardestijgingen. Dat verschil in timing creëert een nieuw probleem voor iedereen met buitenlandse bezittingen.
Stel dat je aandelen bezit in een Amerikaans bedrijf. De VS belast de koerswinst pas als je verkoopt. Nederland belast diezelfde koerswinst al jaarlijks. Er is geen moment waarop beide landen over hetzelfde inkomen heffen, want ze hanteren simpelweg een andere definitie van het moment van belastbaarheid. Het gevolg kan zijn dat je over hetzelfde vermogen belasting betaalt in twee landen, zonder dat een belastingverdrag daarvoor een oplossing biedt.
Dit signaleerde belastingadviseur Rutger van Esch (BDO Tax & Legal) in het februari-nummer van het Vakblad Estate Planning. Zijn conclusie: Nederland wordt internationaal gezien opnieuw een 'vreemde eend in de bijt'.
Veel landen heffen bronbelasting op dividenden die naar Nederland worden overgemaakt. In het huidige stelsel kun je die bronbelasting verrekenen met je box 3 heffing, maar de regels daarvoor veranderen in 2028.
Het kabinet wil een zogeheten 'tweede limiet' invoeren voor de verrekening van buitenlandse bronbelastingen. Dat houdt in dat de verrekeningsregels worden uitgebreid met een voortwentelingsregeling, zodat bronbelasting die je in een jaar niet kunt verrekenen, je doorschuift naar volgende jaren. Ook de 'gezamenlijke methode', waarbij inkomsten uit verschillende landen worden gecombineerd voor het berekenen van de verrekeningslimiet, wordt relevant voor box 3.
eerste kamerwetgevingvoortgang
22 februari 2026
Stand van zaken: Eerste Kamer heeft nog niet gestemd
De Wet Werkelijk Rendement Box 3 is door de Tweede Kamer aangenomen, maar de Eerste Kamer moet de wet nog behandelen en goedkeuren. Tot die tijd is de wet nog niet definitief.
Op 12 februari 2026 stemde een ruime meerderheid van de Tweede Kamer in met de Wet Werkelijk Rendement Box 3. Daarmee is een belangrijke stap gezet richting een fundamentele herziening van de vermogensbelasting.
Maar de wet is nog niet definitief. In het Nederlandse wetgevingsproces moet ook de Eerste Kamer instemmen. Zolang dat niet is gebeurd, kan de wet nog worden verworpen, gewijzigd of uitgesteld.
De Eerste Kamer (ook wel de Senaat) toetst wetgeving primair op kwaliteit, uitvoerbaarheid en grondwettelijkheid, niet op politieke wenselijkheid. Het is gebruikelijk dat de Eerste Kamer kritische vragen stelt, zeker bij complexe belastingwetgeving.
Bij de behandeling zal naar verwachting aandacht uitgaan naar:
·Uitvoerbaarheid: kan de Belastingdienst de wet in 2028 daadwerkelijk uitvoeren?
Vermogenswinstbelasting: wat er echt staat te gebeuren (en wat niet)
Veel verwarring over de plannen van het nieuwe kabinet rond vermogenswinstbelasting. We zetten de feiten op een rij: wat is er aangenomen, wat is een plan, en wat is wishful thinking.
Op sociale media en in familiegesprekken klinkt het soms alsof de overheid heeft besloten om ongerealiseerde koerswinsten toch maar niet te belasten. "Ze gaan toch over op vermogenswinstbelasting," wordt gezegd. "Aandelen worden pas belast als je ze verkoopt."
Dat klopt niet. En die misvatting kan leiden tot verkeerde keuzes.
Hieronder zetten we precies uiteen wat er is aangenomen, wat een politieke ambitie is, en waarom die ambitie lang niet zeker is.
---
Twee begrippen staan centraal in dit debat.
rendementspercentages2025belastingdienst
21 februari 2026
Definitieve rendementspercentages 2025 voor box 3 vastgesteld
De Belastingdienst heeft de definitieve forfaitaire rendementspercentages voor 2025 in box 3 vastgesteld. De percentages voor banktegoeden en schulden zijn nu officieel bevestigd.
De Belastingdienst heeft de definitieve forfaitaire rendementspercentages voor het belastingjaar 2025 in box 3 gepubliceerd. Dit zijn de percentages die gelden voor het huidige interim-systeem, dat van kracht is totdat de Wet Werkelijk Rendement in werking treedt per 1 januari 2028.
Tweede Kamer stemt in met Wet Werkelijk Rendement Box 3
Op 12 februari 2026 stemde een ruime meerderheid van de Tweede Kamer in met de Wet Werkelijk Rendement Box 3. De wet introduceert belasting op werkelijk rendement, inclusief ongerealiseerde koerswinsten, met beoogde inwerkingtreding per 1 januari 2028.
De Tweede Kamer heeft op 12 februari 2026 met een ruime meerderheid ingestemd met het wetsvoorstel Wet Werkelijk Rendement Box 3. Dit betekent dat het huidige interim-systeem (gebaseerd op fictieve rendementen per vermogenscategorie) per 1 januari 2028 wordt vervangen door een systeem dat het daadwerkelijk behaalde rendement belast.
De nieuwe wet introduceert de volgende fundamentele wijzigingen:
·Belasting op werkelijk rendement: In plaats van fictieve rendementen worden de daadwerkelijk behaalde opbrengsten belast: dividenden, rente, huurinkomsten en ongerealiseerde koerswinsten.
·Mark-to-market voor beleggingen: De jaarlijkse stijging van de portefeuillewaarde telt als belastbaar rendement, ook als er geen aandelen zijn verkocht.
·Verliesverrekening: Verliezen zijn verrekenbaar met winsten in latere jaren (carry forward).
inwerkingtredingplanningeerste kamer
1 januari 2025
Inwerkingtreding verschoven: wet gaat in per 1 januari 2028
Na de goedkeuring door de Tweede Kamer is bevestigd dat de Wet Werkelijk Rendement Box 3 per 1 januari 2028 in werking treedt, een jaar later dan aanvankelijk gepland. De Eerste Kamer moet de wet nog goedkeuren.
Na de goedkeuring door de Tweede Kamer op 12 februari 2026 is bevestigd dat de Wet Werkelijk Rendement Box 3 per 1 januari 2028 in werking treedt. Dit is een jaar later dan de aanvankelijk geplande datum van 1 januari 2027.
De vertraging geeft belastingplichtigen, uitvoeringsorganisaties en financiële instellingen meer tijd om zich voor te bereiden op het nieuwe systeem.
Een belangrijk aandachtspunt: de wet is nog niet definitief aangenomen. De Eerste Kamer (Senaat) moet de wet nog behandelen en goedkeuren. Pas na goedkeuring door de Eerste Kamer is de wet formeel aangenomen.
De Eerste Kamer kan:
·De wet goedkeuren (wet treedt in werking per 2028)
hoge raadrechtshersteluitspraak
6 juni 2024
Hoge Raad: werkelijk rendement leidend bij lagere opbrengst dan fictief
De Hoge Raad bevestigt dat belastingplichtigen in het overgangsrechtssysteem (2017-2022) recht hebben op individuele toetsing wanneer het werkelijk behaalde rendement lager was dan het fictieve rendement. Dit heeft grote gevolgen voor lopende bezwaarprocedures.
In december 2021 deed de Hoge Raad een baanbrekende uitspraak: het Box 3-systeem schond het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Het systeem belastte belastingplichtigen op basis van een hoog fictief rendement, terwijl spaarders in werkelijkheid veel minder verdienden door de lage rente.
Dit leidde tot een massaal bezwaarproces en uiteindelijk tot rechtsherstel voor de jaren 2017-2022.
Op 6 juni 2024 heeft de Hoge Raad verdere duidelijkheid gegeven over de reikwijdte van het rechtsherstel. De kernvraag was: heeft elke belastingplichtige recht op individuele toetsing, of alleen degenen die tijdig bezwaar hadden ingediend?
De Hoge Raad oordeelde dat belastingplichtigen die kunnen aantonen dat hun werkelijk rendement lager was dan het fictieve rendement, recht hebben op herbeoordeling, ook als de reguliere bezwaartermijn al was verstreken.
Dit is een significante uitbreiding van de groep belastingplichtigen die recht heeft op compensatie.